Eigen woning in box 3

  

Wie twee geschakelde woningen heeft waarvan er een zelf bewoond wordt en de andere leeg staat kan een aanslag van de Belastingdienst verwachten waarbij de WOZ waarde van de leegstaande woning door de belastingdienst wordt aangemerkt als vermogen in box 3. Onlangs diende een rechtszaak waarin daartegen bezwaar werd gemaakt. Aan de orde was de vraag of de leegstaande woning was aan te merken als aanhorigheid behorende bij de hoofdwoning. Aanhorigheid is een juridisch begrip voor een zaak die onlosmakelijk verbonden is met een hoofdzaak en daar dus feitelijk deel van uitmaakt.
De rechter stelde de Belastingdienst in het gelijk, waarop een hoger beroep bij het Hof uitkomst moest brengen. Ook die oordeelde gelijk aan de rechtbank. Volgens het gerechtshof heeft het feit dat de woningen als twee-onder-een-kap/duowoningen zijn gebouwd met een enkel steens muur als scheiding en een afsluitbare tussendeur, niet tot gevolg dat er in fiscale zin sprake is van één woning. Het gerechtshof concludeerde dat beide woningen een eigen voordeur hebben en dat de woning – voordat deze leeg kwam te staan – als afzonderlijke woning in gebruik was. De aanwezigheid van een gezamenlijke riool- en wateraansluiting en opstalverzekering maakt volgens het gerechtshof ook niet dat de woningen bij elkaar horen en als een grote woning kan worden beschouwd. De belastingdienst heeft naar het oordeel van het gerechtshof de leegstaande woning terecht tot het box 3-vermogen gerekend en daarvoor een aanslag opgelegd.

Hoge Raad

Er volgde cassatie tegen het vonnis van het Gerechtshof bij de Hoge Raad. Ook daar ving de bezwaarmaker bot. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen en maakt gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Er is vaker geprocedeerd waarbij de insteek was wanneer een onroerende zaak mag worden aangemerkt als fiscale eigen woning dan wel als aanhorigheid daar bij. Uit diverse procedures kan het volgende worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanhorigheid bij een eigen woning:
  • de zaak hoort bij de woning,
  • de zaak is in gebruik bij de woning,
  • de zaak is dienstbaar aan de woning.
Daarbij zijn de omstandigheden van het geval bepalend voor het oordeel of een gebouw en/of terrein als aanhorigheid kan worden aangemerkt. Nabijheid, functie, het feitelijk gebruik en inrichting spelen hierbij een rol. Uit wet en jurisprudentie blijkt dat voor het begrip aanhorigheid een feitelijk gebruik niet wordt vereist. Het gebruikt kunnen worden is al voldoende. De aanhorigheid mag echter niet ter beschikking gesteld zijn of zijn geweest aan een ander, omdat dan geen sprake meer is van dienstbaar zijn aan de woning. 
Wilt u meer weten over aanhorigheden? Bel ons voor het maken van een afspraak.